Home

Particulieren

Ondernemingen

Overheden

Het recht

Het gerecht

Over ons

Stel uw vraag

Onbekwamen
facebook facebook
  • Register


A.   ALGEMEEN

Rechtshandelingen kunnen enkel worden gesteld door diegenen die de wet 'bekwaam' acht. Zoniet wordt van 'onbekwame personen' gesproken.

Een onderscheid moet hierbij worden gemaakt tussen (i) rechtsbekwaamheid en (ii) handelingsbekwaamheid. Rechtsbekwaamheid is de mogelijkheid om rechten te genieten. Handelingsbekwaamheid is de mogelijkheid om deze rechten ook effectief uit te oefenen.

Natuurlijke personen worden in de regel geacht handelingsbekwaam te zijn, tenzij wanneer de wet voor specifieke gevallen de handelingsonbekwaamheid invoert. Indien een persoon handelingsonbekwaam is, dan wordt het bestuur over de onbekwame persoon en zijn goederen door iemand anders waargenomen. Dit wordt de bewindvoering genoemd.

De onbekwame personen worden onderverdeeld in:

  • De minderjarigen
  • De geesteszieken (personen die in staat van verlengde minderjarigheid zijn verklaard, de gerechtelijke onbekwaamverklaarden, en de onder gerechtelijk raadsman gestelde geesteszwakken en verkwisters)


B.   DE MINDERJARIGE 

Een minderjarige is de persoon van het mannelijk of vrouwelijk geslacht die de volle leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt (art. 388 B.W.). Vanaf de leeftijd van 18 jaar is men dus meerderjarig (art. 408 B.W.).

Het feit dat een persoon minderjarig is, heeft gevolgen op een aantal vlakken:

  • De strafrechtelijke aansprakelijkheid : een minderjarige kan in de regel niet worden gestraft (met een geldboete of gevangenisstraf) bij gebreke aan een strafrechtelijk toerekenbare schuld. De jeugdrechter kan wel de nodige maatregelen nemen (zoals een berisping, het plaatsen van de minderjarige onder een consulent van de sociale dienst, het opleggen van herstelbemiddeling, het plaatsen in een instelling). In zeer uitzonderlijke omstandigheden en als het om een zeer ernstig misdrijf gaat, kan de jeugdrechter beslissen om een jongere die ouder is dan 16 jaar uit handen te geven, waardoor een gewone strafrechtbank over het misdrijf zal oordelen.
  • De aansprakelijkheid voor een onrechtmatige daad : een minderjarige kan aansprakelijk worden gesteld voor schade die hij heeft veroorzaakt, zodra hij fout en goed gedrag van elkaar kan onderscheiden (hetgeen doorgaans rond de leeftijd van 7 jaar is)
  • De contractuele aansprakelijkheid : een minderjarige kan in de regel geen contracten sluiten, aangezien hij handelingsonbekwaam is

Een minderjarige is in beginsel dus handelingsonbekwaam. Hij kan dus geen contracten sluiten zonder voorafgaandelijke toestemming van één van zijn ouders (of zijn voogd). In de praktijk dient het een en ander uiteraard genuanceerd te worden, daar een minderjarige anders bvb. geen treinticket of snoep in een winkel zou kunnen kopen.

Deze handelingsonbekwaamheid heeft tot gevolg dat de wet een bewindvoerder aanstelt over de persoon van de minderjarige en diens goederen. Dit kan ofwel zijn (i) het ouderlijk gezag, (ii) de voogdij, of (iii) een curator bij een ontvoogde minderjarige. Een specifieke regelgeving bestaat er bovendien voor de pleegvoogdij.


Het ouderlijk gezag

Een kind blijft onder het gezag van zijn ouders tot aan zijn meerderjarigheid of zijn ontvoogding (art. 372 B.W.). De ouders verstrekken hun kinderen levensonderhoud (huisvesting, kleding en opvoeding), opleiding en opvoeding. Het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat, kan van degene die gedurende het wettelijk tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap had, een onderhoudsbijdrage vorderen (art. 336-341 B.W.). Er moet worden opgemerkt dat omgekeerd kinderen ook levensonderhoud verschuldigd zijn t.a.v. hun (groot)ouders die behoeftig zijn (art. 205 B.W.).

- De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen (art. 203 §1 B.W.). Met middelen wordt onder andere bedoeld alle beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten van de ouders, alsook alle voordelen en andere middelen die hun levensstandaard en deze van de kinderen waarborgen (art. 203 §2 B.W.). Elke ouder dient bij te dragen in de kosten in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen (art. 203bis §1 B.W.). De kosten omvatten de gewone kosten en de buitengewone kosten. De gewone kosten zijn alle gebruikelijke kosten met betrekking tot het dagelijks onderhoud van het kind. Onder buitengewone kosten wordt verstaan de uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorzienbare uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijke budget voor het dagelijkse onderhoud van het kind dat desgevallend als basis diende voor de vaststelling van de onderhoudsbijdrage, overschrijden (art. 203bis §3 B.W.).

Indien de ouders deze verplichting niet nakomen, dan kan het kind een onderhoudsbijdrage van zijn ouders vorderen (art. 203ter B.W.). De rechter die een onderhoudsbijdrage uitspreekt moet op transparante wijze en rekening houdende met diverse elementen zijn uitspraak motiveren (art. 1321 Ger.W.). Bij koninklijk besluit kan een berekeningswijze worden opgesteld om zowel de begroting van de kosten (art. 203 §1 B.W.), als de bijdrage van de ouders (art. 203bis B.W.) in overeenstemming te brengen met de adviezen van de Commissie voor onderhoudsbijdragen (art. 1322 Ger.W.). Indien de rechter hier van zou afwijken dan dient hij dit bijzonder te motiveren (art. 1321 §2, 2° Ger.W.).

Op vraag van één van de ouders kan de rechter de partijen verplichten een zogenaamde 'kind rekening' te openen. Op deze rekening worden dan de bijdrage van elk der ouders in de kosten gestort, alsook de kinderbijslag. De rechter beslist ook over de wijze waarop over de op deze rekening gestorte sommen kan worden beschikt, de kosten die met deze gelden betaald worden, de organisatie van het toezicht op de uitgaven, de manier waarop tekorten aangevuld worden, de bestemming van de overschotten die op deze rekening worden gestort etc. (art. 203bis §4 B.W.).

De onderhoudsbijdrage wordt automatisch gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen. De rechtbank, maar ook de ouders, kunnen nochtans een andere formule toepassen. In het belang van het kind kan de rechter eveneens op vraag van één van de partijen beslissen dat de onderhoudsbijdrage van rechtswege wordt verhoogd in de door hem bepaalde omstandigheden (art. 203quater B.W.).

 

Wenst u als minderjarige een onderhoudsbijdrage te vorderen van uw ouders, of wenst u als ouder dat uw (ex)partner de kosten van levensonderhoud van het kind mee moet dragen, neem dan contact met ons op.

 
- Een minderjarige wordt voor rechtshandelingen steeds vertegenwoordigd door zijn ouders (zo kunnen procedures voor een rechtbank namens de minderjarige ook enkel ingeleid worden door diens ouders). De ouders hebben ook het bestuur over de goederen van hun minderjarig kind (zo kunnen zij bvb. gelden van de minderjarige beleggen, onroerende goederen van de minderjarige verhuren etc) (art. 376-379 B.W.). Voor bepaalde handelingen (zie ook bij de voogdij) is de bijzondere machtiging van de vrederechter vereist (art. 410 B.W.) : vervreemden van goederen, aangaan van leningen, goederen in hypotheek geven etc. De ouders hebben overigens het genot van de goederen van hun kinderen tot aan de meerderjarigheid (art. 384 B.W.). De ouders die belast zijn met het beheer van de goederen van hun minderjarige kinderen, zijn rekening en verantwoording verschuldigd wat betreft de eigendom en de opbrengsten van de goederen waarvan ze niet het genot hebben (art. 379 B.W.).

Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit. Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder. Betwistingen over de uitoefening van het ouderlijk gezag worden voor de jeugdrechtbank gebracht (art. 373 B.W.). Indien de afstamming niet is vastgesteld ten aanzien van een van de ouders of indien een van beiden overleden of vermoedelijk afwezig is, dan oefent de andere ouder dat gezag alleen uit (art. 375 B.W.). Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag samen uitoefenen (het zogenaamde co-ouderschap). Bij gebreke aan overeenstemming kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag opdragen aan één van beide ouders. Hij bepaald de wijze waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt (art. 374 B.W.).

De grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft (art. 375bis B.W.).

Op basis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van het door dit feit veroorzaakte schade (de Jeugdbeschermingswet), kan corrigerend opgetreden worden indien het ouderlijk gezag niet naar behoren wordt uitgeoefend. In zwaarwichtige gevallen kunnen de ouders gedeeltelijk of zelfs geheel worden ontzet uit het ouderlijk gezag (art. 32 e.v.).


De voogdi
j

De voogd is een persoon die instaat voor de persoon van een minderjarige en diens goederen, indien de minderjarige geen ouders meer heeft.

De voogdij over minderjarigen ontstaat indien beide ouders overleden zijn, wettelijk onbekend zijn of in de voortdurende onmogelijkheid zijn om het ouderlijk gezag uit te oefenen (art. 389 B.W.). De vrederechterechter van de woon- of verblijfplaats van de minderjarige organiseert de voogdij (art. 390 B.W.). De voogdij bestaat uit (i) de voogd, (ii) de toeziende voogd, en (iii) de vrederechter.

De voogd. De voogd is de belangrijkste figuur binnen de voogdij. Bepaalde personen mogen geen voogd zijn (art. 397 B.W.), anderen worden uitgesloten van voogdij of kunnen ervan worden ontzet (art. 398 B.W.). De voogd kan worden aangesteld door de ouder die het laatst het ouderlijk gezag uitoefent, hetzij bij testament, hetzij bij wege van een verklaring voor de vrederechter of voor een notaris. De ouders kunnen dit ook gezamenlijk doen bij een verklaring voor de vrederechter. Indien de aangewezen persoon de voogdij aanvaardt, dan homologeert de vrederechter deze aanwijzing tot voogd tenzij ernstige redenen bestaan m.b.t. het belang van het kind (art. 392 B.W.). Een voogd kan ook worden aangesteld door de vrederechter, bij voorkeur uit de naaste familieleden, op voorwaarde dat hij zich verzekerd heeft van zijn aanvaarding (art. 393 B.W.). Indien de minderjarige 12 jaar oud is wordt hij door de vrederechter gehoord vooraleer deze een voogd benoemt, of de aanwijzing van de voogd homologeert. De vrederechter zal tevens alle bloedverwanten in opgaande lijn en de meerderjarige broers en zussen horen (art. 394 B.W.).

De toeziende voogd. Bij elke voogdij is er een toeziende voogd die de vrederechter benoemt. Bij voorkeur wordt deze voogd uit de andere familietak dan de voogd gekozen. Zijn taak eindigt op hetzelfde tijdstip als dat van de voogd (art. 402 B.W.). De toeziende voogd houdt toezicht op de voogd (art. 403 B.W.). De toeziende voogd vertegenwoordigt de minderjarige wanneer de belangen van deze laatste tegengesteld zijn aan die van de voogd (art. 404 B.W.).

De vrederechter. De vrederechter waakt er over dat de belangen van de minderjarige door diens voogden goed worden verdedigd. Hij kan de dringende maatregelen nemen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de persoon van de minderjarige en voor de bewaring van zijn goederen (art. 391 B.W.). Hij benoemt de voogden, geeft bijzondere machtigingen (art. 410 B.W.), controleert het jaarlijks voogdijverslag (art. 413 B.W.), en kan alle maatregelen nemen om zich te informeren over de familiale, morele en materiële toestand van de minderjarige, alsook over diens leefomstandigheden (art. 412 B.W.).

De voogd draagt zorg voor de persoon van de minderjarige, die hij opvoedt overeenkomstig de beginselen waarvoor de ouders eventueel hebben gekozen. De voogd vertegenwoordigt de minderjarige in alle burgerlijke handelingen. Hij beheert de goederen van de minderjarige zoals een goede huisvader en is gehouden tot vergoeding van schade die zou kunnen voortvloeien uit slecht beheer (art. 405 §1 B.W.).  Ingeval van ernstige betwistingen tussen de minderjarige en de voogd, kan de minderjarige, op eenvoudig mondeling of schriftelijk verzoek, zich tot de procureur des Konings richten indien hij 12 jaar oud is. De procureur kan vervolgens beslissen dit geschil voor de vrederechter te brengen (art. 405 §2 B.W.).

Bij de aanvang van de voogdij, moet de voogd binnen een maand na zijn benoeming een boedelbeschrijving met waardeschatting opstellen van zowel de onroerende als de roerende goederen (art. 406 §1 B.W.). Binnen een maand nadat de boedelbeschrijving bij het procesdossier is gevoegd, stelt de vrederechter een voogdijplan op (art. 407 B.W.). Effecten aan toonder en andere waardepapieren moeten worden gedeponeerd op een een rekening op naam van de minderjarige (art. 408 B.W.). Tijdens de voogdij voert de voogd het voogdijplan uit en legt hij jaarlijks een voogdijrekening neer in het procesdossier (art. 413 B.W.). De voogd kan slechts met medeondertekening van de toeziende voogd kwijting geven van kapitalen die de minderjarige in de loop van de voogdij ontvangt (art. 409 §2 B.W.). Voor bepaalde handelingen dient de vrederechter een bijzondere machtiging te verlenen, zoals het vervreemden van goederen, het aangaan van een lening, het in hypotheek geven van goederen etc. (art. 410 §1 B.W.). Binnen een maand na beëindiging van de taken van de voogd, wordt de definitieve voogdijrekening in aanwezigheid van de vrederechter en van de toeziende voogd met het oog op de goedkeuring ervan, overhandigd (art. 415 B.W.).


De curatele (in geval van ontvoogding)

Een minderjarige wordt in geval van ontvoogding gedeeltelijk handelingsbekwaam.

Ontvoogding gebeurt uitzonderlijk van rechtswege maar in de regel via gerechtelijke weg.

Het huwelijk van de minderjarige heeft van rechtswege zijn ontvoogding tot gevolg. De mede-echtgenoot wordt dan van rechtswege curator over de minderjarige echtgenoot. Zijn beide echtgenoten minderjarig, dan wordt een deze als curator aangesteld (art. 476 B.W.).

De ontvoogding gebeurt gerechtelijk door de jeugdrechtbank op verzoek van zijn ouders, of wanneer deze het niet eens zijn, op verzoek van één van hen. De minderjarige die geen ouders heeft kan worden ontvoogd indien de voogd en de toeziende voogd hem daartoe geschikt oordelen. Indien de voogd hiertoe geen initiatief neemt, kan ook een naast familielid (of de minderjarige zelf) de ontvoogding vragen. In ieder geval dient de minderjarige hoe dan ook 15 jaar oud te zijn (art. 477-479 B.W.).

De jeugdrechtbank zal ingeval hij beslist tot ontvoogding een curator aanstellen (art. 480 B.W.).

De ontvoogde minderjarige verkrijgt over zijn goederen een bepaalde handelingsbekwaamheid:

  • Hij mag verhuringen aangaan waarvan de duur 9 jaar niet te boven gaan. Hij mag zijn inkomsten in ontvangst nemen, mag daarvan kwijting geven en mag alle daden van louter beheer verrichten (art. 481 B.W.).
  • Hij mag geen onroerende rechtsvordering instellen, noch zich op zodanige rechtsvordering verdedigen, noch zelfs roerende kapitalen in ontvangst nemen en daarvan kwijting geven (art. 482 B.W.) of schenkingen aanvaarden (art. 935 lid 2 B.W.) zonder de bijstand van de curator
  • Hij mag zijn onroerende goederen niet verkopen of vervreemden of enige daad verrichten buiten die van louter beheer, zonder de regels betreffende de voogdij in acht te nemen (art. 484 B.W.).
  • Hij mag geen leningen aangaan zonder de machtiging van de vrederechter (art. 483 B.W)

Het statuut van ontvoogde minderjarige eindigt evident op het ogenblik van de meerderjarigheid. Bovendien kan het voordeel van de ontvoogding de minderjarige ook ontnomen worden. Dit zal het geval zijn wanneer hij er niet toe in staat blijkt te zijn zichzelf te leiden of wanneer hij aankopen doet die buitensporig zijn. Het betreft dus gevallen waarbij achteraf wordt vastgesteld dat het eigenlijk een vergissing was om de minderjarige te ontvoogden. De ontvoogding wordt ingetrokken met inachtneming van dezelfde vormen als bij het verlenen van de ontvoogding, en nadat de minderjarige werd gehoord of opgeroepen. (art. 485 B.W.). Zodra de ontvoogding wordt ingetrokken, komt de minderjarige terug onder het ouderlijk gezag (of voogdij) (art. 486 B.W.).

Indien de ontvoogde minderjarige bepaalde handelingen zou hebben gesteld waarvoor nochtans de bijstand van de curator vereist was, dan zal (enkel) in het geval dat de minderjarige benadeeld werd deze rechtshandelingen kunnen nietig verklaard worden (art. 1305 B.W.). 


De pleegvoogdij

Wanneer iemand die ten minste 25 jaar oud is, zich verbindt om een niet-ontvoogd minderjarig kind te onderhouden, op te voeden en in staat te stellen de kost te verdienen, kan hij zijn pleegvoogd worden. De pleegvoogdij wordt geregeld in de artikelen 475bis-475septies B.W.


C.   GEESTESZIEKEN 

Ten aanzien van personen met geestesgebreken kunnen verschillende maatregelen genomen worden. Deze maatregelen kunnen worden onderverdeeld in (i) bewindsmaatregelen, (ii) beschermingsmaatregelen, en (iii) beveiligingsmaatregelen.


Bewindsmaatregelen

De verlengde meerderjarigheid

Een minderjarige of meerderjarige van wie gebleken is dat hij wegens ernstige geestelijke achterlijkheid ongeschikt is en schijnt te zullen blijven om zichzelf te leiden en zijn goederen te beheren, kan in staat van verlengde meerderjarigheid worden verklaard. Onder een ernstige geestelijke achterlijkheid moet worden verstaan: een staat van geestelijke onvolwaardigheid, aangeboren of begonnen tijdens de vroege kinderjaren, en gekenmerkt door een uitgebleven ontwikkeling van de gezamenlijke vermogens van verstand, gevoel en wil (art. 487bis B.W.).

De procedure tot verlengde meerderjarigheid wordt ingeleid bij verzoekschrift voor de rechtbank van eerste aanleg (art. 487ter B.W). De rechtbank dient steeds alle betrokken partijen te horen. De persoon wie het verzoek betreft dient verplicht te worden bijgestaan door een advocaat.

Indien de rechtbank de verlengde meerderjarigheid uitspreekt, dan wordt die persoon gelijk gesteld met een minderjarige beneden de 15 jaar (art. 487bis B.W.). De persoon komt dan ook onder het ouderlijk gezag, dan wel onder voogdij (indien dit laatste in zijn belang zou zijn) (art. 487quater B.W.).

De opheffing van de verlengde meerderjarigheid kan ten alle tijde worden gevraagd (art. 487 septies B.W.).

Gerechtelijk onbekwaamverklaarde personen

Een meerderjarige die zich in een aanhoudende staat van onozelheid of krankzinnigheid bevindt, moet worden onbekwaam verklaard, zelfs wanneer in die staat heldere tussenpozen voorkomen (art. 489 B.W.).

De onbekwaamheid moet worden gevorderd, en kan enkel door de rechtbank worden uitgesproken. Gelet op de verregaande gevolgen van een beslissing tot onbekwaamverklaring, dienen tal van procedurele voorschriften worden nageleefd (art. 1238-1253 Ger.W.). Alvorens definitief uitspraak te doen kan de rechtbank reeds, na een eerste ondervraging, een voorlopig bewindvoerder aanstellen om zorg te dragen voor die persoon en zijn goederen (art. 1246 Ger.W.).

Indien de rechtbank de onbekwaamverklaring zou uitspreken, dan wordt de onbekwaam verklaarde persoon voortaan gelijk gesteld met een minderjarige. Dit betekent dat hij onder voogdij komt en de regels inzake voogdij op hem van toepassing zijn (art. 509 B.W.).

De onder een gerechtelijk raadsman gestelde personen

Specifiek voor 'zwakzinnigen' en 'verkwisters', bestaat er een bijzonder statuut waarbij hen de bijstand van een gerechtelijke raadsman wordt opgelegd.

Een zwakzinnige is een persoon die niet krankzinnig is (en dus niet onbekwaam kan worden verklaard), maar die een karakterstoornis vertoont die een ernstige vermindering van de geestelijke integriteit met zich meebrengt. Het betreft dus personen die niet altijd controle kunnen behouden over hun gedragingen.

Een verkwister is iemand die gewoonlijke uitgaven verricht zonder economische rechtvaardiging die zijn kapitaal verspillen. Het betreft dus personen die op onverwantwoorde wijze hun geld verspillen.

De rechtbank kan aan zwakzinnigen en verkwisters een gerechtelijke raadsman toewezen om er voor te zorgen dat hun patrimonium veilig wordt gesteld.

Indien een gerechtelijk raadsman wordt toegewezen, dan wordt de zwakzinnige of verkwister gedeelijke handelingsonbekaam. Deze onbekwaamheid strekt zich immers enkel uit tot bepaalde daden, zijnde: het voeren van rechtsgedingen, het treffen van dadingen, het aangaan van leningen, het in ontvangt nemen van roerende kapitalen en daarvan kwijting te geven, het vervreemden van hun goederen of in hypotheek te geven. Dit alles kunnen zij enkel doen met bijstand van de raadsman die hen door de rechtbank werd toegewezen (art. 513 B.W. en 1247 Ger.W.). Alle overige daden kunnen zij wel stellen (zoals bvb een testament maken).

Indien de zwakzinnige of verkwister toch verboden handelingen heeft gesteld, dan kunnen deze handelingen nadien door de zwakzinnige/verkwister of diens raadsman nietig worden verklaard.

Personen die een voorlopige bewindvoerder toegewezen krijgen

Het voorlopige bewind heeft een ruimer toepassingsgebied dan enkel geesteszieken. Ook dementen, metaal gehandicapten, zwaar zieke mensen (zoals comateuze patiënten), mensen met een zware drugs- of alcoholverslaving etc vallen onder het toepassingsgebied ervan. Zodra de gezondheidstoestand er voor zorgt dat de persoon niet meer in staat is zijn goederen te beheren, kan met het oog op de bescherming ervan, een voorlopig bewindvoerder worden toegevoegd. Meestal wordt een voorlopige bewindvoerder dan ook aangesteld voor personen (vaak bejaarden) die in een verpleeg- of zorginstelling zijn opgenomen.

Een voorlopige bewindvoerder wordt aangeduid door de vrederechter. De vrederechter kan een dergelijke maatregel ambtshalve nemen, dan wel op verzoek van de betrokken persoon, op verzoek van elke belanghebbende of op verzoek van de procureur des Konings. Doorgaans worden de ouders, de echtgenoot, een naast familielid of een vertrouwenspersoon als voorlopige bewindvoerder aangeduid. De voorlopige bewindvoerder mag niet gekozen worden onder de bestuurs- of personeelsleden van de instelling waarin de te beschermen persoon zich bevindt (art. 488bis c) §1 B.W.).

De voorlopige bewindvoerder moet jaarlijks, alsook op het einde van zijn opdracht verslag uitbrengen aan de vrederechter (art. 488bis c §2 B.W.).

De voorlopige bewindvoerder heeft tot taak de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren of de beschermde persoon in dat beheer bij te staan. De voorlopige bewindvoerder vertegenwoordigt de beschermde persoon ook in juridische procedures.

De vrederechter bepaalt, met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen evenals met de gezondheidstoestand van de beschermde persoon, de omvang van de bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder. De voorlopige bewindvoerder vertegenwoordigt de beschermde persoon ook in juridische procedures (art. 488bis f) B.W.) . Dit betekent dus dat de aanduiding van een voorlopige bewindvoerder een beperkte handelingsonbekaamheid tot gevolg heeft (waarbij de beperkingen door de vrederechter worden bepaald). Hoedanook heeft de voorlopige bewindvoerder voor bepaalde gevallen een bijzondere machtiging van de vrederechter nodig (zoals bvb de verkoop van roerende of onroerende goederen van de beschermde persoon).

Alle handelingen die de beschermde persoon zou verrichten in strijd met de bevoegdheid van de voorlopige bewindvoerder zijn nietig (art. 488bis i) B.W). Deze nietigheid dient en kan enkel worden ingesteld door de beschermde persoon of de voorlopige bewindvoerder binnen een termijn van 5 jaar (art. 488bis j) B.W.).

Publiciteit

Iedereen die in contact komt met personen wiens handelingsbekwaamheid ingeperkt is, en eventueel met dergelijke personen contracten wil sluiten, heeft er uiteraard belang bij om te weten of dergelijke bewindmaatregelen zijn genomen.

De wet voorziet dan ook in al deze gevallen in een zekere vorm van publiciteit (alhoewel die eigenlijk ontoereikend is):

  • In het geval van onbekaamverklaring en het aanstellen van een gerechtelijke raadsman, wordt een dergelijke beslissing gepubliceerd in het Belgisch Staatslad (art. 1253 Ger.W.). Hetzelfde is het geval voor de beslissing tot aanstelling van een voorlopig bewindvoerder (art. 488bis, e) B.W.)
  • In het geval van verlengde minderjarigheid, wordt een dergelijke beslissing gemeld aan de minister van justitie en de burgemeester. Tevens wordt melding van deze beslissing gemaakt op de identiteitskaart van de betrokken persoon (art. 487sexies B.W.) 

 

Bent u van oordeel dat bepaalde bewindsmaatregelen zich opdringen om het vermogen van een geesteszieke te beschermen, neem dan contact met ons op.

 

Beschermingsmaatregelen

Wetgeving : wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke

Ter bescherming van de persoon van de geesteszieken kunnen ook bepaalde maatregelen worden genomen.

Deze beschermingsmaatregelen mogen, bij gebreke van enige andere geschikte behandeling, alleen getroffen worden ten aanzien van een geesteszieke indien zijn toestand zulks vereist, hetzij omdat hij zijn gezondheid en zijn veiligheid ernstig in gevaar brengt, hetzij omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit.   De onaangepastheid aan de zedelijke, maatschappelijke, religieuze, politieke of andere waarden mag op zichzelf niet als een geestesziekte worden beschouwd.

Twee mogelijke maatregelen kunnen worden genomen : de gedwongen opname in een psychiatrische instelling (de zogenaamde 'collocatie') of de verpleging thuis binnen het gezin ('de zogenaamde 'sekwestratie ten huize').

Deze maatregelen kunnen enkel door de vrederechter worden genomen.  


Veiligheidmaatregelen

Wetgeving : wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele feiten

Deze wet is van toepassing op verdachten van misdrijven die hetzij in staat van krankzinnigheid zijn, hetzij in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid zijn die hen ongeschikt maken tot het controleren van hun daden.

De rechtbank kan in dat geval een interneringsmaatregel opleggen (i.p.v. de gebruikelijke strafmaatregel).

Gedurende de periode van zijn internering is de persoon handelingsonbekwaam. Er zal dan ook een voorlopig bewindvoerder worden aangesteld (tenzij reeds een andere maatregel zou zijn genomen).

 

Home

Particulieren

Ondernemingen

Overheden

Het recht

Het gerecht

Over ons

Stel uw vraag

Ons adres:
Bollebergen 2a bus 20
9052 Gent-Zwijnaarde
Contactgegevens:
Tel.: +32 (0)9 334 94 70
Fax: +32 (0)9 334 94 77
E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Disclaimer

De informatie beschikbaar op of via deze website is louter van algemene aard en is uitsluitend bedoeld voor algemeen gebruik. De informatie is niet aangepast aan persoonlijke of specifieke omstandigheden, en vormt derhalve geen juridisch advies. Aan de informatie kunnen geen rechten worden ontleend.

Hoewel bij de samenstelling van de inhoud van de website de grootst mogelijke inspanning tot zorgvuldigheid is betracht, is het niet uitgesloten dat bepaalde informatie verouderd, onvolledig of anderszins onjuist kan zijn. Er worden dan ook geen garanties geven met betrekking tot de aard of de inhoud van de informatie op de website.

De website geniet auteursrechtelijke bescherming. Uw toegang tot de website en de aldaar ter beschikking gestelde informatie houdt geen enkele overdracht van enige intellectuele eigendomsrechten in. De informatie die u op of via de website ter beschikking wordt gesteld, mag enkel voor uw eigen interne doeleinden worden aangewend. U onthoudt zich ervan deze informatie of bestanden voor enige andere doeleinden te gebruiken, in het bijzonder door deze op commerciële wijze te exploiteren.