Home

Particulieren

Ondernemingen

Overheden

Het recht

Het gerecht

Over ons

Stel uw vraag

Voorrechten
facebook facebook
  • Register

 

PRINCIPES

Een voorrecht is een recht dat uit hoofde van de bijzondere aard van de schuldvordering aan een schuldeiser toekomt en hem voorrang verleent boven de andere schuldeisers, zelfs de hypothecaire schuldeisers (art. 12 Hyp. W).

In geval van samenloop, zal een bevoorrechte schuldeiser dus bij voorrang uitbetaald worden. Hiermee wordt afgeweken van het basisprincipe dat alle schuldeisers op gelijke voet moeten worden behandeld (art. 7-8 Hyp. W).

De schuldeisers worden onderverdeeld in:

  • De gewone of chirografaire schuldeisers
  • De bevoorrechte schuldeisers
  • De hypothecaire schuldeisers

 

SOORTEN

Er zijn twee soorten van voorrechten: de algemene en de bijzondere voorrechten.

De algemene voorrechten slaan op alle goederen van een schuldenaar. Indien de goederen van een schuldenaar worden verkocht, dan wordt met de opbrengst de schuldeisers met een algemeen voorrecht uitbetaald vóór de andere schuldeisers.

De belangrijkste algemene voorrechten zijn (art. 19 Hyp. W.):

  • De gerechtskosten
  • De begrafeniskosten
  • De kosten van laatste ziekte gedurende een jaar
  • De lonen van werknemers en betaling aan sociale zekerheidsinstellingen (RIZIV, RSZ etc.)
  • De bedrijfsvoorheffing

De bijzondere voorrechten slaan enkel op welbepaalde roerende of onroerende goederen. De bijzonder bevoorrechte schuldeisers zullen dus enkel bij voorrang betaald worden met de opbrengst van het welbepaalde goed waar hun voorrecht op slaan.

De belangrijkste bijzondere voorrechten zijn (art. 20 Hyp. W.)

  • De gerechts- en uitwinningskosten
  • De huurgelden of bezettingsvergoedingen (op de stofferende huisraad van de huurder) (het voorrecht van de niet-betaalde verhuurder)
  • De kosten gemaakt tot behoud van de zaak
  • De prijs van de niet-betaalde roerende goederen (het voorrecht van de niet-betaalde verkoper)
  • De schuldvordering van het slachtoffer van een ongeval, voor het geval de wet Landverzekeringsovereenkomst niet van toepassing is, op de uit te keren vergoeding door de verzekeraar
  • De schuldvordering van de onderaannemer jegens de hoofdaannemer voor werken die aan het gebouw van de bouwheer zijn uitgevoerd, op de schuldvordering die de hoofdaannemer jegens de bouwheer heeft

 

VOLGORDE BIJ UITBETALING

In geval van samenloop tussen verschillende schuldeisers gebeurt uitbetaling op de volgende manier:

  1. De schuldeisers met een bijzonder voorrecht worden uitbetaald vóór de schuldeisers met een algemeen voorrecht en de hypothecaire schuldeisers
  2. De schuldeisers met een algemeen voorrecht worden eerst uitbetaald (voor het mogelijk saldo van hun schuldvordering), op het restant van de onroerende goederen nadat de hypothecaire schuldeisers zijn uitbetaald
  3. De uitbetaling aan verschillende schuldeisers met een algemeen voorrecht wordt verricht in de volgorde van art. 19 Hyp. W.
  4. De uitbetaling aan verschillende schuldeisers met een bijzonder voorrecht gebeurt (i) indien voor dit bijzonder voorrecht publiciteit werd verricht, in de volgorde van datum van publiciteit, (ii) door de volgorde die de wet bepaalt, en bij gebreke hieraan op basis van de aard van het voorrecht (art. 13 Hyp. W.)

 

Ingeval van geschillen omtrent voorrechten, raadpleeg een advocaat en neem gerust contact met ons op.

 

WETTELIJKE BASIS

Burgerlijk wetboek - Boek III - Titel XVIII - voorrechten en hypotheken (Hypotheekwet) (art. 12-40)

HOOFDSTUK II. _ Voorrechten.

  Art. 12. (2095). Voorrecht is een recht dat uit hoofde van de bijzondere aard der schuldvordering aan een schuldeiser toekomt en hem voorrang verleent boven de andere schuldeisers, zelfs de hypothecaire.

  Art. 13. (2096). Tussen de bevoorrechte schuldeisers wordt de voorrang geregeld naar de verschillende aard van de voorrechten.

  Art. 14. (2097). Bevoorrechte schuldeisers die in dezelfde rang zijn, worden naar evenredigheid van hun vordering betaald.

  Art. 15. (2098). Het voorrecht, verbonden aan de rechten van de Staatskas, en de orde waarin het wordt uitgeoefend, worden geregeld door de wetten daartoe betrekkelijk.
  De Staatskas kan echter geen voorrecht bekomen ten nadele van vroeger door derden verkregen rechten.

  Art. 16. (2099). Voorrechten kunnen bestaan op roerende goederen of op onroerende goederen.

  AFDELING I. _ Voorrechten op roerende en onroerende goederen.

  Art. 17. De gerechtskosten zijn bevoorrecht op de roerende en de onroerende goederen, ten aanzien van alle schuldeisers in wier belang zij zijn gemaakt.

  AFDELING II. _ Voorrechten op roerende goederen.

  Art. 18. (2100). De voorrechten zijn ofwel algemeen, ofwel bijzonder met betrekking tot bepaalde roerende goederen.

  § I. ALGEMENE VOORRECHTEN OP ROERENDE GOEDEREN.

  Art. 19.(2101). De schuldvorderingen, bevoorrecht op alle roerende goederen, worden hierna opgesomd en zij worden in de volgende orde verhaald :
  1° De gerechtskosten die in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers zijn gemaakt;
  2° De begrafeniskosten in verhouding tot de stand en het vermogen van de overledene;
  3° De kosten van laatste ziekte gedurende een jaar;
  [4 3°bis. De onderhoudsschulden zonder dat het bedrag daarvan 15 000 euro mag te boven gaan;]4
  [4 3°ter]4 (voor de werknemers bedoeld in artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, het loon zoals bepaald in artikel 2 van genoemde wet, vooraleer de in artikel 23 van genoemde wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, zonder dat het bedrag daarvan 7.500 euro mag te boven gaan; deze beperking wordt niet toegepast op de vergoedingen die in het loon begrepen zijn en die verschuldigd zijn aan dezelfde personen wegens beëindiging van hun dienstbetrekking.
  Het hierboven bepaalde bedrag wordt om de twee jaar aangepast door de Koning, na advies van de Nationale Arbeidsraad.
  - De schuldvorderingen van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers gegrond :
  a) op artikel 61, § 1, 2° en 4°, § 2, 2° en 4° [2 ...]2, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, voor de bedragen die het heeft betaald in toepassing van de artikelen 35 en 51 van dezelfde wet;
  b) op artikel 62, 1° en 2°, van dezelfde wet voor de inhoudingen die het heeft gedaan op de in a) bedoelde bedragen en die het heeft betaald in toepassing van artikel 67, § 1, 1°, van dezelfde wet.
  - De sommen uitgeleend in het kader van een investeringsspaarplan bedoeld in hoofdstuk IV van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal en in de winst van de vennootschappen.
  - Voor dezelfde werknemers, de aanvullende vergoeding waarop zij ten laste van de werkgever recht hebben krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 afgesloten binnen de Nationale Arbeidsraad, die de toekenning voorziet van een aanvullende vergoeding aan bepaalde oudere werknemers in geval van ontslag, of krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in het paritair comité, paritair subcomité of in de onderneming, die gelijkaardige voordelen voorziet als die voorzien door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van de Nationale Arbeidsraad. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en rekening houdende met het maandbedrag van de aanvullende vergoeding, de berekeningswijze vaststellen van het bedrag van de bevoorrechte schuldvordering van deze oudere werknemer.
  - De inschakelingsvergoeding bedoeld in de wet van 23 december 2005 betreffende het Generatiepact.) <W 2002-06-26/55, art. 83, Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  [3 3° ter. De schadevergoeding die de veroordeelde overeenkomstig een in kracht van gewijsde gegane beslissing aan het slachtoffer dat een natuurlijke persoon is en zijn rechtverkrijgenden tot en met de tweede graad verschuldigd is als vergoeding voor de lichamelijke of psychische schade als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad die een strafbaar feit vormt. Dit voorrecht komt de wettelijk gesubrogeerde niet toe;]3
  4° (de schuldvorderingen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en deze van de verzekeringsinstellingen bepaald bij artikel 2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, voor de ten onrechte uitbetaalde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, de uitkeringsverzekering of de moederschapsverzekering.) <Opgeheven bij W 12-04-1965, art. 49, 2°, en hersteld bij W 2002-01-14/39, art. 27, 020; Inwerkingtreding : 22-02-2002>
  (De bedragen die uit kracht van de besluitwet betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers als vakantiebijdrage of als vakantiegeld verschuldigd zijn voor het verlopen dienstjaar en voor het lopende dienstjaar;) <BESLW 03-01-1946, art. 14>
  4°bis. (de schuldvordering van het Fonds voor Arbeidsongevallen voor de uitkeringen, bedragen en kapitalen die bedoeld worden in artikel 60, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.) <W 2006-07-13/68, art. 69, 029; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  De schuldvorderingen van het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers) ten opzichte van de werkgevers;
  4°ter. (De bijdragen en bijdrageopslagen verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en die waarvan hij de inning verzekert, de bijdragen en bijdrageopslagen verschuldigd aan de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden en die waarvan ze de inning verzekert, de bijdragen en bijdrageopslagen verschuldigd aan het Fonds voor de beroepsziekten en die verschuldigd aan het Fonds voor bestaanszekerheid en aan het Sociaal Fonds voor de diamantarbeiders, evenals de vorderingen verschuldigd aan de pensioeninstellingen en aan de rechtspersonen belast met de organisatie van de solidariteitsregeling, zoals bedoeld in de programmawet van 24 december 2002, en aan het Fonds voor arbeidsongevallen en de vorderingen van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, op basis van artikel 62, 2° van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen.
  (de schuldvorderingen van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers gegrond op artikel 62, 2° van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen evenals de schuldvorderingen van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers tegenover de werkgevers, de curatoren en de vereffenaars gegrond op artikel 67, § 1, 2°, van deze zelfde wet, in zover die schuldvorderingen niet meer bij wettelijke in de plaatsstelling ingevorderd kunnen worden, en de schuldvorderingen van ditzelfde Fonds, gegrond op de artikelen 61, § 1, 1° en 3°, en § 2, 1° en 3°, en 64, § 1, van dezelfde wet.) <W 2002-06-26/55, art. 83, Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  De bijdragen en bijdrageopslagen verschuldigd aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen en aan de Nationale Hulpkas voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, met toepassing van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, van Hoofdstuk III van Titel III van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen en van Hoofdstuk II van Titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2005-07-03/46, art. 44, 026; Inwerkingtreding : 23-02-2007>
  [1 De bijdragen en verhogingen verschuldigd aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen in toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van titel 6 van de programmawet van 22 juni 2012.]1
  4°quater. De betaling van de hoofdbijdragen en van de aanvullende bijdragen, verschuldigd door de wekgevers ondeworpen aan de wet op kinderbijslagen;
  4°quinquies. (...) <W 2002-06-26/55, art. 83, Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  4°sexies. (...) <W 18-12-1968, art. 7, 1°>
  4°septies. (De betaling van de bijdragen, bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen en in artikel 10 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers;) <W 28-07-1971, art. 21, 2°>
  4°octies. (De betaling van de bijdragen van, de bijdrageopslag en van de eventuele interest voorzien bij de wet tot oprichting van een Nationale Sociale Commissie voor de kleine ondernemingen).) <W 24-12-1962, art. 17>
  4°nonies. (De schuldvorderingen van de verzekeraar in geval van betaling van vergoedingen en renten wegens arbeidsongeval tijdens de schorsing (van de waarborg) van het verzekeringscontract.) <W 10-04-1971, art. 101, 2°> <W 2006-07-13/68, art. 69, 029; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  4°nonies. (De betaling door een onderneming van de sommen en verzuimsrente bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de wet op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging.) <W 26-03-1971, art. 48> <ZIE : W 07-10-1985, art. 70, § 1, 2°; DCW 07-10-1985, art. 34, § 1, 1°-4°>
  (4°decies. De vorderingen van de auteurs, zoals omschreven in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten.) <W 1994-06-30/35, art. 91, L2, 010; Inwerkingtreding : 1994-08-01>
  5° De leveringen van levensmiddelen aan de schuldenaar en zijn familie gedaan gedurende zes maanden.
  (6° : de schuldvorderingen van het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten tot betaling van de verplichte bijdragen in toepassing van de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, en van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten tot betaling van de verplichte bijdragen in toepassing van de wet van 17 maart 1993 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten;) <W 2006-07-20/39, art. 159, 028; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  De termijnen, in de drie vorige paragrafen bepaald, zijn die, welke aan de dood, de ontneming van het bezit of de inbeslagneming van de roerende goederen voorafgaan.
  Wanneer niet de gehele waarde van de onroerende goederen is opgebruikt voor de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen, wordt het nog verschuldigde gedeelte van de prijs bij voorrang aangewend tot voldoening van de in dit artikel vermelde schuldvorderingen.
  ----------
  (1)<W 2012-06-22/02, art. 32, 039; Inwerkingtreding : 08-07-2012>
  (2)<W 2013-07-30/01, art. 18, 042; Inwerkingtreding : 11-08-2013>
  (3)<W 2014-02-21/47, art. 2, 047; Inwerkingtreding : 25-05-2014>
  (4)<W 2014-05-12/07, art. 11, 049; Inwerkingtreding : 01-08-2014>

  § II. VOORRECHTEN OP BEPAALDE ROERENDE GOEDEREN.

  Art. 20.(2102). De schuldvorderingen, op bepaalde roerende goederen bevoorrecht, zijn :
  1° (De huur- en pachtgelden van onroerende goederen zijn bevoorrecht op de vruchten van de oogst van het jaar, en op de waarde van al hetgeen het verhuurde huis of de hoeve stoffeert en, van al hetgeen tot de exploitatie van de hoeve dient, en wel :
  Indien het een huis betreft, voor twee vervallen jaren; daarenboven voor het lopende jaar, alsmede voor het jaar dat daarop volgt, en zelfs, indien de huurcontracten authentiek zijn of indien zij, onderhands zijnde, een vaste dagtekening hebben, voor al hetgeen nog moet vervallen; in dit laatste geval hebben de overige schuldeisers het recht om het huis voor het overblijvende gedeelte van de huurtijd weder te verhuren en de huur te genieten, echter onder verplichting om aan de eigenaar te betalen al hetgeen hem nog mocht zijn verschuldigd;
  Indien het een hoeve betreft, voor een vervallen pachtjaar en voor het lopende jaar.) <W 07-03-1929, art. 11>
  Hetzelfde voorrecht geldt voor de herstellingen ten laste van de huurder en voor alles wat de uitvoering van de huur betreft.
  De eigenaar kan beslag leggen op de roerende goederen die zijn huis of zijn hoeve stofferen, wanneer zij buiten zijn toestemming zijn weggebracht, en hij behoudt daarop zijn voorrecht, mits hij ze heeft opgeëist binnen de tijd van veertig dagen, wanneer het roerende goederen betreft die een hoeve stoffeerden; en binnen de tijd van vijftien dagen, wanneer het roerende goederen betreft die een huis stoffeerden;
  2° De bedragen, verschuldigd voor de zaden of voor de kosten van de oogst van het jaar, zijn bevoorrecht op de prijs van die oogst, en de bedragen, verschuldigd voor het gereedschap dat voor de exploitatie dient, op de prijs van dat gereedschap;
  3° De schuldvordering is bevoorrecht op het pand dat zich in het bezit van de schuldeiser bevindt;
  4° De kosten tot behoud van de zaak gemaakt;
  5° De prijs van niet betaalde roerende goederen, indien zij zich nog in het bezit van de schuldenaar bevinden, onverschillig of hij ze met of zonder tijdsbepaling gekocht heeft.
  (De schadevergoedingen toegekend aan de burgerlijke partij op het voertuig dat gediend heeft voor het plegen van de inbreuk.) <W 1999-05-03/82, art. 41, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (Het voorrecht ingesteld bij de nrs. 4 en 5 houdt op te gelden wanneer die roerende goederen onroerend zijn geworden door bestemming of incorporatie, behalve indien het machines, toestellen, gereedschappen en ander bedrijfsuitrustingsmaterieel betreft, gebruikt in nijverheids-, handels- of ambachtsondernemingen.
  In dit geval blijft het voorrecht met betrekking tot deze goederen bestaan gedurende vijf jaren te rekenen van de levering [1 ...]1.
  [1 ...]1 De levering wordt bewezen door de boeken van de verkoper, behoudens tegenbewijs.
  In geval van onroerend beslag op de machines, toestellen, gereedschappen en ander bedrijfsuitrustingsmaterieel, of van faillietverklaring van de schuldenaar, voordat vijf jaren zijn verstreken, blijft het voorrecht bestaan tot na de verdeling van de penningen of tot na vereffening van het faillissement.) <W 29-07-1957, art. 1>
  Indien de verkoop zonder tijdsbepaling gedaan is, kan de verkoper de verkochte voorwerpen zelfs terugvorderen zolang zij zich in het bezit van de koper bevinden, en de wederverkoop ervan beletten, mits de terugvordering geschiedt binnen acht dagen na de levering en de voorwerpen zich nog in dezelfde staat bevinden als ten tijde van de levering.
  Het verval van het recht op terugvordering brengt tevens mede het verval van de rechtsvordering tot ontbinding, ten aanzien van de overige schuldeisers.
  In de wetten en gebruiken van de koophandel betreffende de terugvordering wordt niets gewijzigd.
  (Opgeheven) <KBN64 30-11-1939, art. 290>
  6° De leveringen van een (hotelhouder) zijn bevoorrecht op de goederen van de reiziger die in zijn (hotel) zijn gebracht; <W 04-07-1972, art. 8>
  7° De vrachtkosten en bijkomende kosten, op het vervoerde goed, zolang de vervoerder dit onder zich heeft, en gedurende vierentwintig uren die volgen op de aflevering aan de eigenaar of aan de geadresseerde, mits dezen in het bezit ervan gebleven zijn;
  8° De schuldvorderingen, ontstaan uit misbruik en ontrouw van openbare ambtenaren in de uitoefening van hun bediening, zijn bevoorrecht op de door hen gestelde zekerheid en op de vervallen interest daarvan;
  (9° Voor de verzekeringsovereenkomsten waarop de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst niet van toepassing is, zijn de uit een ongeval ontstane schuldvorderingen ten bate van een door dat ongeval benadeelde derde of diens rechthebbenden, bevoorrecht op de vergoeding die de verzekeraar van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid verschuldigd is op grond van de verzekeringsovereenkomst. Geen betaling aan de verzekerde zal bevrijdend zijn, zolang de bevoorrechte schuldeisers niet schadeloos zijn gesteld.) <W 1994-03-16/32, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 1994-05-04>
  10° (...) <W 2001-08-10/54, art. 36, 019; Inwerkingtreding : 17-09-2001>
  11° (De voorschotten die overeenkomstig de wetgeving betreffende de schadeloosstelling voor de schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater, zijn uitgekeerd voor het herstel van de schade veroorzaakt aan de oogst, op de vruchten van de oogst van het jaar of op de prijs van die oogst.) <W 10-01-1977, art. 10, 1°>
  12° (gedurende vijf jaar vanaf de datum van de factuur, de schuldvordering die de onderaannemer tegenover zijn medecontractant-aannemer heeft wegens werken die hij aan het gebouw van de bouwheer heeft uitgevoerd of laten uitvoeren, op de schuldvordering die deze medecontractant-aannemer wegens dezelfde aanneming heeft tegenover de bouwheer.
  De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde.) <W 1990-02-19/32, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 03-04-1990>
  (12° De schuldvorderingen van de leden van een ziekenfonds en van een landsbond op de reservefondsen door deze gevestigd volgens de bepalingen van de wetgeving betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden.) <W 1990-08-06/35, art. 74, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 45, 041; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  § III. RANG VAN DE VOORRECHTEN OP ROERENDE GOEDEREN IN GEVAL VAN SAMENLOOP VAN DIE VOORRECHTEN.

  Art. 21. De gerechtskosten gaan boven alle schuldvorderingen ten behoeve waarvan zij zijn gemaakt.

  Art. 22. De kosten die tot behoud van de zaak gemaakt zijn, gaan boven de vroegere voorrechten.
  Zij gaan, in alle gevallen, zelfs boven het voorrecht van de laatste drie nummers van artikel 19.

  Art. 23. De pandhoudende schuldeiser, de logementhouder en de vervoerder hebben de voorrang boven de verkoper van het roerend goed dat tot pand strekt, behalve indien zij bij de ontvangst wisten, dat de prijs ervan nog verschuldigd was.
  Het voorrecht van de verkoper wordt pas uitgeoefend na dat van de eigenaar van het huis of van de hoeve, tenzij de verkoper ten tijde dat de roerende goederen in de verhuurde plaatsen werden gebracht, de verhuurder heeft gewaarschuwd dat de prijs ervan niet betaald was.

  Art. 24. De bedragen, verschuldigd voor de zaken of voor de kosten van de oogst van het jaar, worden betaald uit de opbrengst van die oogst, en de bedragen, verschuldigd voor het gereedschap dat voor de exploitatie dient, worden betaald uit de opbrengst van dat gereedschap, met, in beide gevallen, voorrang boven de verpachter.

  Art. 25. Het voorrecht van de begrafeniskosten gaat boven alle andere voorrechten, met uitzondering van het voorrecht van de gerechtskosten, het voorrecht van de naderhand tot behoud van de zaak gemaakte kosten, en het voorrecht van de logementhouder, van de vervoerder en van de pandhoudende schuldeiser, voor zover de verkoper van de in pand gegeven zaak boven hen geen voorrang heeft.

  Art. 25bis. <W 10-01-1977, art. 10, 2°> De voorrechten bepaald in artikel 20, 1° en 2°, hebben voorrang boven het voorrecht van artikel 20, 11°.

  Art. 26. De bijzondere voorrechten hebben de voorrang boven de overige algemene voorrechten.

  AFDELING III. _ Voorrechten op onroerende goederen.

  Art. 27.(2103). De schuldeisers, op onroerende goederen bevoorrecht, zijn :
  1° De verkoper, op het verkochte onroerend goed, voor de betaling van de prijs;
  2° De ruilers, op de wederkerig geruilde onroerende goederen, voor de betaling van de opleg en de vergoeding van de overwaarde, en ook voor de vaste som die bij de akte mocht zijn bepaald als schadeloosstelling van het geval van uitwinning;
  3° De schenker, op het geschonken onroerend goed, voor de geldelijke lasten of andere begrote prestaties die aan de begiftigde zijn opgelegd;
  4° De medeërfgenamen of deelgenoten, en wel :
  Voor de betaling van de opleg of de vergoeding van de overwaarde, op al de onroerende goederen begrepen in de kavel die met opleg bezwaard is, tenzij het voorrecht door de akte van verdeling tot een of meer van die onroerende goederen is beperkt;
  Voor de betaling van de prijs der veiling, op het geveilde goed;
  Voor de bij artikel 884 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde vrijwaring, op al de onroerende goederen die begrepen zijn in de kavel van de garanten, tenzij de akte van verdeling het voorrecht beperkt tot een deel van die onroerende goederen. Dit voorrecht bestaat slechts voor zover in de akte van verdeling een vaste som voor het geval van uitwinning bedongen is;
  5° (De aannemers, architecten, metselaars en andere werklieden, die gebezigd worden voor het ontginnen van land of het droogleggen van moerassen, voor het bouwen, herbouwen of herstellen van gebouwen, kanalen of welke andere werken ook, mits echter door een deskundige, op verzoekschrift benoemd door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarbinnen de goederen gelegen zijn, vooraf een proces-verbaal is opgemaakt, de ingeschreven schuldeisers behoorlijk opgeroepen zijnde, ten einde de gesteldheid van de plaats te bepalen, met betrekking tot de werken die de eigenaar verklaart te willen uitvoeren, en mits de werken, ten laatste binnen zes maanden na hun voltooiing, door een eveneens op verzoekschrift benoemde deskundige zijn in ontvangst genomen.
  Het bedrag van het voorrecht mag echter de waarde die door het tweede proces-verbaal is vastgesteld, niet overschrijden, en blijft beperkt tot de meerwaarde die ten tijde van de vervreemding van het onroerende goed bestaat en uit de daaraan verrichte werken voortkomt.) <W 10-10-1967, art. 3-22>
  [1 5° bis. Het slachtoffer dat een natuurlijke persoon is en zijn rechtverkrijgenden tot en met de tweede graad, op de onroerende goederen van de veroordeelde, voor de schadevergoeding die de veroordeelde overeenkomstig een in kracht van gewijde gegane beslissing verschuldigd is als vergoeding voor de lichamelijke of psychische schade als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad die een strafbaar feit vormt. Dit voorrecht bestaat slechts bij inschrijving binnen twee maanden na het tijdstip waarop de beslissing in kracht van gewijsde gaat en komt de wettelijk gesubrogeerde niet toe.
   Dat voorrecht wordt pas uitgeoefend na de wettelijke en bedongen hypotheken die voor het tijdstip waarop de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan bij het hypotheekkantoor werden ingeschreven;]1
  6° (De Staat, op de gezond te maken steenkolenvestigingen, ten belope van de onkosten door hem uitbetaald bij gelegenheid van de saneringswerken, uitgevoerd overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 18 april 1967 betreffende de gezondmaking van de steenkolenvestigingen die aan hun eerste bestemming zijn onttrokken.) <KBN 2, 18-04-1967, art. 12>
  ----------
  (1)<W 2014-02-21/47, art. 3, 047; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 28. De rechtsvordering van artikel 1654 van het Burgerlijk Wetboek tot ontbinding van de koop, en de rechtsvordering van artikel 1705 tot terugvordering van de geruilde zaak, kunnen niet worden ingesteld ten nadele van de ingeschreven schuldeiser, noch ten nadele van de onderverkrijger, noch ten nadele van derden, verkrijgers van zakelijke rechten, nadat het voorrecht bij het vorige artikel verleend, is teniet gegaan of vervallen.
  Dezelfde regel geldt voor de rechtsvordering tot herroeping, gegrond op niet-nakoming van voorwaarden die door het voorrecht mochten zijn gewaarborgd.
  Ingeval de verkoper, de ruiler of de schenker de rechtsvordering tot ontbinding instelt, kunnen derden de gevolgen daarvan altijd tegenhouden, mits zij aan de eiser het kapitaal uitkeren, samen met het toebehoren dat, overeenkomstig artikel 87 van deze wet, door de inschrijving van het voorrecht is bewaard.
  De sommen, tot terugbetaling waarvan de verkoper of de ruiler mocht worden veroordeeld ingevolge de rechtsvordering tot ontbinding of tot terugvordering, worden aangewend tot voldoening van de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen, die deze eigenschap ten gevolge van een van die rechtsvorderingen zouden verliezen, en wel volgens de rang van die schuldvorderingen op het ogenblik van de ontbinding van de koop of van de ruil.

  AFDELING IV. _ Hoe voorrechten bewaard worden.

  Art. 29. (2106). Tussen de schuldeisers hebben de voorrechten slechts gevolg ten aanzien van de onroerende goederen, voor zover zij zijn openbaar gemaakt door inschrijving in de registers van de hypotheekbewaarder, met uitzondering van de voorrechten der gerechtskosten.

  Art. 30. De verkoper bewaart zijn voorrecht door de overschrijving van de titel waarbij de eigendom is overgedragen en waarbij wordt vastgesteld dat de koopprijs hem geheel of ten dele verschuldigd is.

  Art. 31. De ruilers bewaren wederzijds hun voorrecht op de geruilde onroerende goederen, door de overschrijving van het ruilcontract, waarbij wordt vastgesteld dat hun een opleg, een vergoeding van de overwaarde of een vaste som als schadeloosstelling voor het geval van uitwinning verschuldigd is.

  Art. 32. De schenker bewaart zijn voorrecht, voor de geldelijke lasten of de andere begrote prestaties die aan de begiftigde zijn opgelegd, door de overschrijving van de akte van schenking, waarbij die lasten en prestaties worden vastgesteld.

  Art. 33. De medeërfgenaam of deelgenoot bewaart zijn voorrecht door de overschrijving van de akte van verdeling of van de akte van veiling.

  Art. 34. De overschrijving, bij de vier vorige artikelen voorgeschreven, geldt als inschrijving voor de verkoper, de ruiler, de schenker, de erfgenaam of de deelgenoot en voor de wettelijk in hun plaats gestelde uitlener.
  Hetzelfde geldt voor de overschrijving die op verzoek van de laatstgenoemde gedaan wordt.

  Art. 35. De hypotheekbewaarder is op straffe van vergoeding van alle schade jegens derden gehouden, op het ogenblik van de overschrijving ambtshalve in zijn register de inschrijving te doen :
  1° Van de schuldvorderingen die voortvloeien uit de akte van eigendomsoverdracht;
  2° Van iedere opleg of vergoeding van de overwaarde, die voortvloeit uit de akte van ruiling.
  Deze inschrijving omvat de som die als schadevergoeding voor het geval van uitwinning bedongen is;
  3° Van de geldelijke lasten en de andere begrote prestaties die voortvloeien uit de akte van schenking;
  4° Van iedere opleg en vergoeding van de overwaarde, die voortvloeit uit de akte van verdeling of van veiling.
  Deze inschrijving vermeldt de bedingen betreffende de vrijwaring wegens uitwinning, indien zodanige bedingen zijn gemaakt.

  Art. 36. De verkoper, de ruilers, de schenker, de medeërfgenamen of deelgenoten kunnen, door een uitdrukkelijk beding in de akte, de hypotheekbewaarder ontslaan van de ambtshalve te nemen inschrijving.
  In dat geval verliezen zij het voorrecht en het recht om een vordering tot ontbinding of tot terugvordering in te stellen, maar zij kunnen, krachtens hun titel, een hypothecaire inschrijving nemen, waarvan echter de rang zal worden bepaald door haar dagtekening.

  Art. 37. De bij de vorige artikelen voorgeschreven inschrijvingen moeten door de schuldeisers vernieuwd worden overeenkomstig artikel 90. Bij gebreke van vernieuwing hebben dezen nog slechts een hypotheek, waarvan de rang zal worden bepaald door de dagtekening van haar inschrijving.

  Art. 38. (2110). Door 1° de inschrijving van het proces-verbaal, die gedaan is voor de aanvang van de werken en waaruit de gesteldheid van de plaats blijkt; en 2° de inschrijving van het tweede proces-verbaal binnen vijftien dagen nadat de werken in ontvangst zijn genomen; bewaren de aannemers, architecten, metselaars en andere werklieden, gebezigd om de werken uit te voeren waarvan sprake in artikel 27, hun voorrecht op de dag van het eerste proces-verbaal.
  Na het verstrijken van die laatste termijn hebben zij nog slechts een hypotheek, waarvan de rang wordt bepaald door de dagtekening van haar inschrijving, en alleen voor de meerwaarde.

  Art. 38/1. [1 Het voorrecht waarin artikel 27, 5° bis, voorziet, wordt behouden door de inschrijving binnen twee maanden nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. In geval van een laattijdige inschrijving neemt het voorrecht pas rang op de dag waarop het wordt ingeschreven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-21/47, art. 4, 047; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 38bis. <KBN2 18-04-1967, art. 12> De Staat behoudt het voorrecht, voorzien bij artikel 27, 6°, door inschrijving gedaan, vóór de aanvang der werken, van het proces-verbaal, dat de plaatsbeschrijving vaststelt en van het verslag, opgesteld door het Aankoopcomité, overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 april 1967 betreffende de gezondmaking van de steenkolenvestigingen, die aan hun eerste bestemming zijn onttrokken en door de inschrijving, gedaan na het einde van de werken, van het proces-verbaal, dat de plaatsbeschrijving vaststelt en de eindafrekening van de uitgevoerde werken bevat.
  Het voorrecht wordt behouden van de eerste inschrijving af, voor zover dat de tweede inschrijving wordt gedaan binnen de drie maanden van de definitieve oplevering der werken.
  Eens deze termijn overschreden, zal het voorrecht slechts van de tweede inschrijving af zijn plaats innemen.
  Indien de door het Aankoopcomité gedane schattingen worden betwist, wordt de melding van de rechtsvordering door het Aankoopcomité ingevoerd, overeenkomstig de laatste alinea van artikel 7 van het voormeld besluit, gedaan naast de inschrijving van het betwist proces-verbaal en verslag. De definitieve uitspraak over deze rechtsvordering gedaan, wordt ingeschreven.

  Art. 39. De schuldeisers en legatarissen, die volgens artikel 878 van het Burgerlijk Wetboek het recht hebben om de afscheiding van de boedels te vragen, bewaren dit recht met betrekking tot de onroerende goederen der nalatenschap ten opzichte van de schuldeisers van de erfgenamen of vertegenwoordigers van de overledene, door inschrijving te nemen op elk van die onroerende goederen binnen zes maanden na het openvallen van de erfenis.
  Totdat deze termijn verstreken is, kan geen hypotheek op die goederen worden gevestigd en kan geen vervreemding ervan worden toegestaan door de erfgenamen of vertegenwoordigers van de overledene, ten nadele van de schuldeisers en legatarissen.

  Art. 40. De overnemers van die verschillende bevoorrechte schuldvorderingen oefenen dezelfde rechten uit als de overdragers in wier plaats zij treden, mits zij zich gedragen naar de bepalingen van artikel 5 van deze wet.

 

Ingeval van geschillen omtrent voorrechten, raadpleeg een advocaat en neem gerust contact met ons op.

Home

Particulieren

Ondernemingen

Overheden

Het recht

Het gerecht

Over ons

Stel uw vraag

Ons adres:
Bollebergen 2a bus 20
9052 Gent-Zwijnaarde
Contactgegevens:
Tel.: +32 (0)9 334 94 70
Fax: +32 (0)9 334 94 77
E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Disclaimer

De informatie beschikbaar op of via deze website is louter van algemene aard en is uitsluitend bedoeld voor algemeen gebruik. De informatie is niet aangepast aan persoonlijke of specifieke omstandigheden, en vormt derhalve geen juridisch advies. Aan de informatie kunnen geen rechten worden ontleend.

Hoewel bij de samenstelling van de inhoud van de website de grootst mogelijke inspanning tot zorgvuldigheid is betracht, is het niet uitgesloten dat bepaalde informatie verouderd, onvolledig of anderszins onjuist kan zijn. Er worden dan ook geen garanties geven met betrekking tot de aard of de inhoud van de informatie op de website.

De website geniet auteursrechtelijke bescherming. Uw toegang tot de website en de aldaar ter beschikking gestelde informatie houdt geen enkele overdracht van enige intellectuele eigendomsrechten in. De informatie die u op of via de website ter beschikking wordt gesteld, mag enkel voor uw eigen interne doeleinden worden aangewend. U onthoudt zich ervan deze informatie of bestanden voor enige andere doeleinden te gebruiken, in het bijzonder door deze op commerciële wijze te exploiteren.