Wetgeving

Koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen
Koninklijk besluit van 1 juni 1934 houdende het reglement op de beoefening der tandheelkunde
Wet van 15 april 1958 betreffende de publiciteit inzake tandverzorging


Uitoefening van het beroep van tandarts

Niemand mag de tandheelkunde uitoefenen die (i) niet het diploma heeft van master in de tandheelkunde (tandarts), en (ii) wiens diploma niet is geviseerd door de bevoegde geneeskundige commissie.

Onder het onwettig uitoefenen van de tandheelkunde wordt verstaan:het gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van alle bewerkingen of handelingen, uitgevoerd in de mond der patiƫnten, die het behoud, de genezing, het herstellen of vervangen van het gebit daarin begrepen het weefsel van de tandkas, op het oog hebben, meer bepaald die welke behoren tot de operatieve tandheelkunde, de orthodontie, en de mond- en tandprothese.

Ook het bleken van tanden kan een tandheelkundige bewerking zijn die tot doel heeft het behoud, de genezing of herstel van een gebit te verwezenlijken (Cass. 22 juni 2010).


Publiciteit

Niemand mag voor het verzorgen of voor het doen verzorgen door een al dan niet bevoegd persoon, in Belgiƫ of in het buitenland, van aandoeningen, letsels of afwijkingen van de mond en van de tanden direct of indirect enige reclame maken.

Dit verbod heeft ook betrekking op de tandverzorging van een tandverkleuring waarvoor de tussenkomst van een tandarts nodig is (Cass. 22 juni 2010).

Het feit dat het eenieder en tandverzorgers verboden is om in het kader van een vrij beroep of een praktijk voor tandverzorging op welke wijze ook reclame inzake tandverzorging te maken, is niet in strijd met het Europees mededingingsrecht (H.v.J. 13 maart 2008).