Home

Particulieren

Ondernemingen

Overheden

Het recht

Het gerecht

Over ons

Stel uw vraag

Planning
facebook facebook
  • Register

Heeft u een conflict omtrent de toepassing van een ruimtelijk structuurplan, een ruimtelijk uitvoeringsplan of een stedenbouwkundige verordening (of een gewestplan of plan van aanleg)? Raadpleeg een advocaat en aarzel niet om ons te contacteren. Ons kantoor heeft gespecialiseerde advocaten in ruimtelijke ordening.


1. Oude planologie

Onder de oude Stedenbouwwet uit 1962 werden verschillende planningsinstrumenten in het leven geroepen, zijnde:

  • Streekplannen
  • Gewestplannen
  • Algemene plannen van aanleg (APA's)
  • Bijzondere plannen van aanleg (BPA's)


1A.  Streekplannen


Streekplannen werden nooit opgemaakt.


1B.  Gewestplannen


Een gewestplan heeft betrekking tot een deel van een gewest. Het Belgisch grondgebied werd hiervoor onderverdeeld in 48 gewesten, waarvan 25 in Vlaanderen. Het laatste gewestplan werd in 1980 aangenomen. Een gewestplan geeft een omschrijving van de bestemmingsgebieden en geeft ook aanwijzingen omtrent nutsinfrastructuur en de verkeerswegen. In deze gewestplannen kunnen aanvullende stedenbouwkundige voorschriften worden opgenomen.

Deze gewestplannen moeten tot op vandaag nog steeds worden toegepast in de gevallen waarin zij nog niet zijn vervangen door ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Voor de toepassing van deze gewestplannen is het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen van belang. In dit KB staan de stedenbouwkundige voorschriften opgenomen voor de gewestplannen die een omschrijving geven van de zones die in kaart zijn gebracht op de gewestplannen. In een gewestplan kunnen overigens ook bijzondere voorschriften opgenomen worden die niet in dit KB zijn opgenomen. Dit is belangrijk wanneer een BPA ontbreekt, aangezien deze voorschriften in dat geval moeten toegepast worden bij een bouw- of verkavelingsaanvraag. Het is in elk geval niet zo dat automatisch een vergunning zal verkregen worden indien deze voorschriften zich niet verzetten tegen de aangevraagde constructie. Er moet immers altijd rekening worden gehouden met het algemeen criterium van 'goede plaatselijke ordening'.

Voorbeeld: De aanvraag om een grote alleenstaande villa te bouwen in een wijk met kleine rijwoningen kan geweigerd worden omdat het niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening, ook al is een villa duidelijk verenigbaar met de bestemming van de wijk als woongebied.

Meer details over deze bestemmingszones zijn terug te vinden in de Omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen.

Voorbeeld: In de omzendbrief staat te lezen i.v.m. de woonfunctie: "Bij het eigenlijke wonen horen bepaalde activiteiten die sterk in relatie staan tot de woonfunctie. Meestal gaat het om inrichtingen, die veelvuldige relaties vertonen tot het wonen en hierdoor deel uitmaken van de centrumvormende elementen, die zo kenmerkend zijn voor het stadsleven". Hierbij kan gedacht worden aan een kantoorfunctie in een woongebied. De omzendbrief schrijft hierover: "Voor kantoorgebouwen moet bijzondere aandacht worden besteed aan hun bestaanbaarheid met de bestemming van het woongebied, en moet met name ter dege worden onderzocht of zij de woonfunctie niet in het gedrang brengen. Een bankagentschap of een verzekeringsagentschap bijvoorbeeld dienen de woonfunctie. Een volledige inplanting van een verzekeringsmaatschappij, een bank of een administratief gebouw, kan de woonfunctie daarentegen zeer nadelig beïnvloeden".


1C.  Gemeentelijke plannen van aanleg


Er bestaan 2 vormen van gemeentelijke plannen van aanleg:

  • gemeentelijke algemene plannen van aanleg (APA)
  • gemeentelijke bijzondere plannen van aanleg (BPA)

Een APA legt de ruimtelijke bestemming (woongebied, landbouw, industrie) vast voor het volledige grondgebied van de gemeente en werkt het gewestplan verder uit. Ook worden met betrekking tot de grootte, vorm en plaatsing van gebouwen voorschriften toegevoegd. Het is de gemeente die een dergelijk APA opmaakt, doch tot op heden zijn er slechts 32 APA's aangenomen. Dit laatste is te wijten aan het feit dat de gewestplannen de functie van deze APA's overgenomen heeft.

Een BPA is een beleidsdocument waarin de overheid haar visie geeft omtrent de toekomstige ruimtelijke ordening. Een BPA zal ook in detail de grootte en plaatsing van gebouwen aanduiden of de route van een wegennet. Een gemeente kan via een BPA haar visie tot de structuur van een bepaald gedeelte van het gemeentelijke grondgebied juridisch bindend maken. Er kunnen dus meerdere BPA's van toepassing zijn voor het grondgebied van een gemeente. Bestaat er geen BPA dan moet toch nog in het plannenregister worden nagekeken of er geen ontwerp van BPA bestaan, dan wel een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.

De in een BPA opgenomen voorschriften zijn bindend voor de overheid en ook rechtstreeks van toepassing op burgers. Er kan dus geen vergunning worden afgeleverd die in strijd is met een BPA. Weliswaar is het wel zo dat APA's en BPA's ondergeschikt zijn aan het gewestplan.

Deze plannen van aanleg zullen op termijn vervangen worden door ruimtelijke structuurplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen, maar blijven zolang wel hun gelding behouden. Veel gemeentes beschikken nog niet over een ruimtelijk structuurplan, zodat zij ook geen ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen opmaken.


2. Ruimtelijke structuurplannen


2A. Algemeen


In ruimtelijke structuurplannen wordt de gewenste ontwikkeling van het grondgebied beschreven. Het zijn dus beleidsdocumenten die op zich wel geen beoordelingsgrond kunnen zijn voor een vergunning, attest of uittreksel.

Een definitie staat te lezen in artikel 2.1.1 VCRO: "Onder ruimtelijk structuurplan wordt verstaan een beleidsdocument dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur. Het geeft een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. Het is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen".

Deze ruimtelijke structuurplannen worden op drie niveaus opgemaakt: door het Vlaams gewest voor het gewest grondgebied; door de Vlaamse provincies voor het provincie grondgebied en door de gemeente voor het gemeentegrondgebied (art. 2.1.2 VCRO).

De taakverdeling tussen deze drie instanties gebeurt op grond van het subsidiariteitsbeginsel: elke overheid beslist over die elementen die van belang zijn voor zijn grondgebied.

Navolgend stelt de overheid ruimtelijke uitvoeringsplannen op die uiteraard in overeenstemming zijn met het ruimtelijk structuurplan.

Het ruimtelijk structuurplan geldt in beginsel voor een termijn van 5 jaar.


2B. Inhoud


Elk ruimtelijk structuurplan bestaat uit een informatief, een richtinggevend en een bindend gedeelte:

  • Het informatief gedeelte geeft een beschrijving van de huidige ruimtelijke ordening
  • Het richtinggevend gedeelte verduidelijkt welke toekomstvisie de overheid heeft met haar ruimtelijke planning (art. 2.1.2 §2 VCRO)
  • Het bindend gedeelte wordt aangeduid door de overheid en bevat vooral de indeling van de wegen en de oppervlaktes voor diverse bestemmingen. Dit gedeelte verbindt de instantie die het plan opmaakte en ook alle besturen die ervan afhangen (art. 2.1.3 tem 2.1.6 VCRO)

Het ruimtelijk structuurplan kan wel nooit een beoordelingsgrond zijn voor het toekennen of weigeren van een stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning. Daarvoor zijn de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van belang die de bodembestemmingen weergeven. De structuurplannen kunnen wel argumenten bevatten ter beoordeling van een vergunningsaanvraag, doch een loutere verwijzing bij de beoordeling naar het structuurplan is uitgesloten.

De ruimtelijke structuurplannen worden opgemaakt door een ruimtelijke planner die is opgenomen in een door de Vlaamse Regering opgericht register.


2C. Soorten


Er bestaan drie soorten van ruimtelijke structuurplannen: het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV), de provinciale structuurplannen en de gemeentelijke structuurplannen.

De Vlaamse regering stelde een Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) op dat van kracht werd op 19 november 1996. Dit gebeurde na voorafgaandelijk advies  van de VLACORO en de SARO.

Op provinciaal niveau komt het aan de provincieraad toe om een provinciaal ruimtelijk structuurplan op te maken (art. 2.1.7 - 2.1.13 VCRO). Dit plan moet zich conformeren naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Het kan niet afwijken van het bindende gedeelte en kan slechts op basis van bepaalde motieven afwijken van het richtinggevende gedeelte. De Vlaamse Regering kan aan een provincie het verzoek richten om binnen een bepaalde termijn een provinciaal structuurplan op te maken. Doet de provincie dit niet, dan kan de Vlaamse Regering - op kosten van die provincie - zelf dit plan opmaken.

Het is de provincieraad die - na advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening - het ontwerp van het provinciaal ruimtelijk structuurplan voorlopig vaststelt, en het is aan de deputatie om het plan zelf op te maken.

Ook de gemeentes moeten een ruimtelijk structuurplan opstellen (art. 2.1.14 - 2.1.19 VCRO). Dit plan moet zich conformeren aan het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het provinciaal ruimtelijk structuurplan. Ook hier kan dit plan niet afwijken van de bindende bepalingen en kan het enkel mits grondige motivering afwijken van het richtinggevende gedeelte.

De procedure verloopt op dezelfde wijze als bij het RSV en het provinciaal structuurplan.

Aanpalende gemeentes kunnen ook een gezamenlijk ruimtelijk structuurplan opmaken voor het grondgebied van hun gemeentes.

Nadat een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan definitief is vastgesteld (en door de deputatie of de Vlaamse Regering is goedgekeurd), kunnen er geen procedures meer opgestart worden tot opmaak of herziening van algemene plannen van aanleg en bijzondere plannen van aanleg (en samenhangende onteigeningsplannen).


3. Ruimtelijke uitvoeringsplannen


3A. Algemeen


De ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP's) werken het beleid uit de structuurplannen voor een bepaald deel van het grondgebied verder uit. Dit gebeurt door op een kaart de bodembestemming aan te geven en het grafisch plan te voorzien van een tekst met stedenbouwkundige voorschriften. Deze RUP's zijn dus de opvolgers/vervangers van de gewestplannen en de algemene en bijzondere plannen van aanleg (art. 7.4.5 VCRO).

Het zijn deze RUP's die de eerste beoordelingsgrond zijn bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Er zal aldus nagegaan worden of de plannen van de vergunningsaanvrager wel in overeenstemming zijn met de bestemmingszone (en de voorschriften ervan).

Er worden RUP's opgesteld op drie niveaus : (i) gewestelijke RUP's voor een deel van het Vlaams gewest, (ii) provinciale RUP's voor een deel van het grondgebied van de provincie, en (iii) gemeentelijke RUP's voor een deel van het grondgebied van een gemeente.

Er wordt gewerkt volgens het subsidiariteitsprincipe: de RUP zal steeds worden opgesteld door het meest geschikte niveau. Een hoger planningsniveau heeft hierbij dan ook de mogelijkheid tot delegatie van planningsbevoegdheid naar een lager planningsniveau. Wel zullen de voorschriften van een later, maar hoger, uitvoeringsplan de voorschriften van het lagere uitvoeringsplan die daarmee strijdig zijn, van rechtswege opheffen. De Vlaamse Regering zal in ieder geval niet langer gebiedsdekkende bodembestemmingsplannen (zoals de gewestplannen) opstellen, maar de RUP's enkel beperken tot de elementen die van gewestelijk belang zijn (Bijvoorbeeld: enkel betrekking op één grote nieuwe spoorlijn die verschillende provincies doorkruist, of de afbakening van gebieden van natuurlijke structuur etc.).

Gemeentelijke en provinciale RUP's maken het voorwerp uit van een decretale schorsingsmogelijkheid voor de Vlaamse Regering of de deputatie.


3B. Inhoud


Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat minstens volgende aspecten (art. 2.2.2 VCRO):

  1. Een grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is
  2. De erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer
  3. Een weergave van de feitelijke en juridische toestand
  4. De relatie met het ruimtelijk structuurplan waarvan het een uitvoering is
  5. In voorkomend geval, een zo mogelijk limitatieve opgave van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden
  6. In voorkomend geval een overzicht van de conclusies van a) het planmilieueffectenrapport, b) de passende beoordeling, c) het ruimtelijk veiligheidsrapport, d) andere verplicht voorgeschreven effectenrapporten
  7. In voorkomend geval, een register, al dan niet grafisch, van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding of een planbatenheffing of een compensatie

Het grafisch plan en de stedenbouwkundige voorschriften (1° en 2°) hebben verordende kracht.

De stedenbouwkundige voorschriften kunnen alle aspecten bevatten die mogelijks in stedenbouwkundige verordeningen worden geregeld. Zij kunnen ook eigendomsbeperkingen inhouden (zoals een bouwverbod).

De stedenbouwkundige voorschriften in ruimtelijke uitvoeringsplannen moeten altijd worden ondergebracht in een bepaalde categorie van gebiedsaanduiding. Het gaat om de volgende categorieën:

“wonen”, ten minste bestaande uit volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding:            
a) “woongebied”, in hoofdzaak bestemd voor wonen en aan het wonen verwante activiteiten en voorzieningen,            
b) “gebied voor wonen en voor landbouw”, in hoofdzaak bestemd voor wonen, landbouw, openbare groene ruimten en openbare verharde ruimten en aan het wonen verwante activiteiten;     
“bedrijvigheid”, in hoofdzaak bestemd voor bedrijfsactiviteiten en/of kantoren;
“recreatie”, in hoofdzaak bestemd voor recreatie, dagrecreatie en/of verblijfsrecreatie;
“landbouw”, ten minste bestaande uit volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding:            
a) “agrarisch gebied”, in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw,            
b) “agrarische bedrijvenzone”, in hoofdzaak bestemd voor de inplanting van agrarische bedrijven, in het bijzonder glastuinbouw,            
c) “bouwvrij agrarisch gebied”, in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw, met dien verstande dat het oprichten van gebouwen niet is toegelaten;
“bos”, in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van het bos;
“overig groen”, ten minste bestaande uit volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding:            
a) “gemengd openruimtegebied”, waarbij natuurbehoud, bosbouw, landschapszorg, landbouw en recreatie nevengeschikte functies zijn,            
b) “parkgebied”, in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van een park of parken;
“reservaat en natuur”, in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en bos;
“lijninfrastructuur”, in hoofdzaak bestemd voor verkeers- en vervoersinfrastructuur, wegeninfrastructuur, spoorinfrastructuur of waterweginfrastructuur en hun aanhorigheden;
“gemeenschaps- en nutsvoorzieningen”, in hoofdzaak bestemd voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of infrastructuur van openbaar nut voor de zuivering van afvalwater;
10° “ontginning en waterwinning”, ten minste bestaande uit volgende subcategorieën van gebiedsaaanduiding:            
a) “gebied voor infrastructuur voor duurzame watervoorziening”, in hoofdzaak bestemd voor infrastructuur van openbaar nut voor duurzame watervoorziening,            
b) “gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen”, in hoofdzaak bestemd voor de ontginning van delfstoffen,            
c) “gebied voor verwerking van oppervlaktedelfstoffen”, in hoofdzaak bestemd voor bedrijven die oppervlaktedelfstoffen verwerken.

De typevoorschriften van deze categorieën zijn opgenomen in de bijlage bij het besluit van 11 april 2008 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van ruimtelijke uitvoeringsplannen. Deze typevoorschriften zijn standaardbepalingen die de overheid kan gebruiken bij de opmaak van stedenbouwkundige voorschriften.

De opmaak en ontwerp van een RUP gebeurt door een ruimtelijke planner (eventueel bijgestaan door bepaalde deskundigen indien de Vlaamse Regering dit bepaalt). In het kader van de plan-MER-regelgeving of veiligheidsrapportageregelgeving moet in bepaalde gevallen een plan-milieueffectenrapport (plan-MER) of een ruimtelijk veiligheidsrapport worden opgesteld. Deze effectenrapportages worden dan geïntegreerd in het planningsproces van ruimtelijke uitvoeringsplannen.


3C. Soorten


Ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgesteld op 3 niveaus: een gewestelijk RUP, een provinciale RUP en een gemeentelijke RUP.

De procedures tot opmaak en herziening van deze RUP's staan beschreven in artikel 2.2.6-2.2.18 VCRO.

De gewestelijke RUP's voeren het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen uit.

De provinciale RUP's voeren het provinciaal ruimtelijk structuurplan uit (zonder te mogen afwijken van de voorschriften van de gewestelijke uitvoeringsplannen).

De gemeentelijke RUP's voeren het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan uit (zonder te mogen afwijken van de voorschriften van de gewestelijke en provinciale uitvoeringsplannen).

Evenwel kunnen provinciale of gemeentelijke RUP's afwijken van een hogere RUP, mits instemming door de Vlaamse Regering (of de provincieraad).


4. Verhouding tussen de ruimtelijke structuurplannen/uitvoeringsplannen en de plannen van aanleg


Het stelsel van ruimtelijke structuurplannen, de RUP's en de verordeningen vervangen het stelsel van de gewestplannen en gemeentelijke plannen van aanleg. Deze plannen van aanleg blijven echter wel van kracht tot ze door een uitvoeringsplan worden vervangen. Zo kan een gewestelijke RUP een BPA of gewestplan vervangen.

De RUP en de bestaande plannen van aanleg staan hiërarchisch onder de ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Bij de 'oude' plannen is een lager plan hiërarchisch ondergeschikt aan een hoger plan. Zo is een BPA ondergeschikt aan een APA, en zijn zowel een BPA als een APA ondergeschikt aan het gewestplan.

Dit betekent dat een lager plan zich moet richten naar een hoger plan, als dit lager plan later tot stand kwam. Bovendien heeft een later vastgesteld hoger plan voorrang op een eerder vastgesteld lager plan. Voorbeeld: een later gewestplan heft de strijdige bepalingen uit een ouder BPA van rechtswege op.

Ook bij de RUP's geldt dat de lagere RUP's in overeenstemming moeten zijn met de hogere RUP's. Voorbeeld: een later gewestelijke RUP zal de bepalingen uit een oudere provinciale of gemeentelijke RUP van rechtswege opheffen. Anderzijds kan een latere gemeentelijke RUP niet afwijken van een provinciale (of een gewestelijke) RUP.

Op deze principes van hiërarchie bestaan wel een aantal uitzonderingen.

Indien deze hiërarchie niet wordt nageleefd dan kan het plan worden geschorst of vernietigd, dan wel buiten toepassing worden gelaten of kan erdoor zelfs een schadevergoeding aan een benadeelde derde worden toegekend.


5. Stedenbouwkundige verordeningen


Een stedenbouwkundige verordening omvat alle stedenbouwkundige voorschriften voor een bepaald grondgebied.

Een stedenbouwkundige verordening kan door de Vlaamse Regering, de provincieraad of de gemeenteraad worden opgemaakt (gewestelijke, provinciale of gemeentelijke stedenbouwkundige verordening) voor het respectievelijke grondgebied.

Voorschriften in een hogere stedenbouwkundige verordening primeren steeds op de voorschriften van een lagere verordening. Een gewestelijke stedenbouwkundige verordening kan dus een provinciale of een gemeentelijke verordening buiten werking plaatsen. Een lagere stedenbouwkundige verordening kan wel bijkomende voorschriften bevatten, zolang deze niet in strijd zijn met de hogere stedenbouwkundige verordeningen.

In deze verordeningen kunnen stedenbouwkundige voorschriften worden vermeld over:

De Vlaamse Regering kan gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen vaststellen voor een deel van of voor het hele gewest. Die verordeningen bevatten de nodige stedenbouwkundige voorschriften om te zorgen voor (art. 2.3.1 VCRO):

de gezondheid, de instandhouding, de stevigheid, de fraaiheid en de esthetische waarde van de bouwwerken, de installaties en hun omgeving, en ook hun veiligheid, met name de beveiliging tegen brand en overstroming;
de thermische en akoestische kwaliteit van de bouwwerken, de energiebesparingen en de energieterugwinning, de uitbouw van collectieve energievoorzieningen waarop desgevallend verplicht moet worden aangesloten;
de instandhouding, de gezondheid, de veiligheid, de bruikbaarheid en de schoonheid van de wegen, de toegangen en de omgeving ervan, evenals het ruimtelijk waarborgen van een adequate mobiliteit;
de aanleg van voorzieningen, met name de water , gas  en elektriciteitsvoorziening, de verwarming, de telecommunicatie, de opvang van afvalwater en regenwater, de afvalophaling en de windmolens;
de bewoonbaarheid van de woningen;
het verbieden van werken waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is op bepaalde uren en dagen met het oog op het behoud van de leefkwaliteit en de doorgang van het langzaam verkeer;
de toegang voor personen met een functiebeperking tot al dan niet bebouwde onroerende goederen of delen ervan toegankelijk voor het publiek, tot installaties en wegen;
de gebruiksveiligheid van een goed dat toegankelijk is voor het publiek;
de maatregelen inzake het ruimtelijk begrenzen van milieuhinder en het waarborgen van een adequate waterhuishouding;
10° de aanleg van groen en beplantingen;
11° de bewerkstelliging van een vermenging van kavels, woningen en woonvoorzieningen die tegemoetkomen aan de behoeften van diverse maatschappelijke groepen, met dien verstande dat voorschriften betreffende de creatie van een bescheiden woonaanbod opgenomen worden in bijzondere stedenbouwkundige verordeningen, onder de voorwaarden, vermeld in boek 4, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 1, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid;
 12° de versterking van de leefbaarheid en de aantrekkingskracht van steden en dorpskernen. 

Deze lijst van mogelijke onderwerpen die het voorwerp van stedenbouwkundige voorschriften kunnen uitmaken is limitatief. Stedenbouwkundige verordeningen kunnen echter ook een regeling bevatten over enerzijds de al dan niet toelaatbaarheid van bepaalde functiewijzigingen en/of voorwaarden koppelen aan bepaalde functiewijzingen, en anderzijds het wijzigen van het aantal woongelegenheden in een gebouw.

Provincies en gemeentes kunnen via stedenbouwkundige voorschriften ook:

  • vrijgestelde handelingen meldingsplichtig maken
  • meldingsplichtige handelingen vergunningsplichtig maken
  • de lijst van vergunningsplichtige handelingen uitbreiden

Hierdoor kunnen provincies en gemeentes een eigen vergunningsbeleid voeren. (Voorbeeld ter vrijwaring van cultuurhistorische waarden - bescherming van historisch centrum van een stad).

Wel kunnen provincies en gemeentes niet afwijken van de gewestelijke vergunningsplicht.

Niet alle provincies en gemeentes hebben al een eigen stedenbouwkundige verordening vastgesteld.

Er bestaan al 3 gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen:

Stedenbouwkundige voorschriften kunnen nooit primeren op een RUP. Bepalingen van stedenbouwkundige verordeningen die in strijd zouden zijn met een RUP zijn van rechtswege opgeheven (art. 2.3.3 VCRO).


6. Relevante wetgeving


Decreet houdende de ruimtelijke planning van 24 juli 1996 (opgeheven)

Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening van 18 mei 1999

Titel II VCRO

 

Heeft u een conflict omtrent de toepassing van een ruimtelijk structuurplan, een ruimtelijk uitvoeringsplan of een stedenbouwkundige verordening (of een gewestplan of plan van aanleg)? Raadpleeg een advocaat en aarzel niet om ons te contacteren. Ons kantoor heeft gespecialiseerde advocaten in ruimtelijke ordening.

 

Home

Particulieren

Ondernemingen

Overheden

Het recht

Het gerecht

Over ons

Stel uw vraag

Ons adres:
Bollebergen 2a bus 20
9052 Gent-Zwijnaarde
Contactgegevens:
Tel.: +32 (0)9 334 94 70
Fax: +32 (0)9 334 94 77
E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Disclaimer

De informatie beschikbaar op of via deze website is louter van algemene aard en is uitsluitend bedoeld voor algemeen gebruik. De informatie is niet aangepast aan persoonlijke of specifieke omstandigheden, en vormt derhalve geen juridisch advies. Aan de informatie kunnen geen rechten worden ontleend.

Hoewel bij de samenstelling van de inhoud van de website de grootst mogelijke inspanning tot zorgvuldigheid is betracht, is het niet uitgesloten dat bepaalde informatie verouderd, onvolledig of anderszins onjuist kan zijn. Er worden dan ook geen garanties geven met betrekking tot de aard of de inhoud van de informatie op de website.

De website geniet auteursrechtelijke bescherming. Uw toegang tot de website en de aldaar ter beschikking gestelde informatie houdt geen enkele overdracht van enige intellectuele eigendomsrechten in. De informatie die u op of via de website ter beschikking wordt gesteld, mag enkel voor uw eigen interne doeleinden worden aangewend. U onthoudt zich ervan deze informatie of bestanden voor enige andere doeleinden te gebruiken, in het bijzonder door deze op commerciële wijze te exploiteren.