Home

Particulieren

Ondernemingen

Overheden

Het recht

Het gerecht

Over ons

Stel uw vraag

Laster en eerroof
facebook facebook
  • Register

Algemeen

Onder het misdrijf van aanranding van de eer en goede naam van personen valt:

  • laster en eerroof (art. 444 Sw.)
  • lasterlijke aangifte (art. 445, tweede lid Sw.)
  • lasterlijke aantijgingen tegen een ondergeschikte (art. 445, derde lid Sw.)
  • beledigingen (art. 448 Sw.)
  • kwaadwillige ruchtbaarheid (art. 449 Sw.)

Het gaat hierbij steeds om een klachtmisdrijf (met uitzondering van de lasterlijke aangifte). Dit betekent dat strafvervolging pas zal opgestart worden, nadat het slachtoffer een klacht heeft ingediend. Indien het slachtoffer overleden is, dan kunnen de volgende personen klacht indienen: de echtgenoot, de afstammelingen en wettige erfgenamen tot en met de derde graad.

De wet voorziet wel in een bijzondere onschendbaarheid (art. 452 Sw.) m.b.t. tot voor de rechtbank uitgesproken woorden of aan de rechtbank overlegde geschriften. Wanneer die woorden of geschriften echter niets te maken hebben met de zaak of de partijen, dan geldt deze immuniteit niet. Evenmin is deze immuniteit van toepassing in geval van smaad aan een magistraat of aan de rechterlijke orde. De immuniteit dekt wel enkel voor de rechtbank geuite woorden of voorgelegde geschriften; het publiek maken, buiten de rechtbank, van dezelfde woorden of geschriften, maakt wel een misdrijf uit.


Laster en eerroof

De wet vereist (art. 442 Sw.) dat een persoon:

  • kwaadwillig
  • een bepaald feit ten laste legt van een ander persoon
  • waarbij dat feit zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen.

Of er sprake is van kwaad opzet dient uit de feiten te worden afgeleid. Het verstrekken van onjuiste inlichtingen is niet voldoende om van kwaad opzet te spreken, aangezien dit evengoed ter goede trouw kan gebeurd zijn. De aanwezigheid van kwade trouw dient te worden beoordeeld op het ogenblik dat de feiten openbaar worden gemaakt; latere handelingen zijn irrelevant.

Er moet bovendien sprake zijn van een aantijging van een welbepaald feit; zo niet kan er nog enkel van beledigingen sprake zijn. De aantijgingen moeten tegen een persoon gericht zijn, die op zijn minst identificeerbaar is en waarbij het ook kan gaan om een rechtspersoon. 

Tevens dient de eerlijkheid of de algemene achting van de geviseerde persoon in het gedrang te worden gebracht. De beoordeling van deze kritiek zal wel minder streng beoordeeld worden bij literaire of historische kritiek, wetenschappelijke of politieke discussie.

Tot slot dient de aanranding van de eer of de goede naam van de persoon in het openbaar te gebeuren:

  • Mondelinge aantijgingen kunnen gebeuren, (i) in openbare bijeenkomsten of plaatsen, (ii) of een in een plaats die niet openbaar is maar die wel wordt bezocht door verschillende personen die tot die plaats toegang hebben om er te vergaderen of ze te bezoeken, (iii) of in om het even welke plaats waar de beledigde en getuigen aanwezig zijn.

    Het is dus belangrijk dat een aan de aantijgingen enige publiciteit wordt gegeven. Een belediging onder vier ogen met de beledigde, is dus geen misdrijf

  • Schriftelijke aantijgingen kunnen, (i) geschriften zijn, al dan niet gedrukt, (ii) prenten of zinnebeelden zijn; die dan aangeplakt, verspreid, verkocht of te koop aangeboden, dan wel openlijk tentoongesteld worden.

    Ook hier is publiciteit het criterium. Een brief met aantijgingen die aan de beledigde wordt gericht, valt hier dus niet onder

Wat is dan juist het verschil tussen laster en eerroof? Bij laster gaat het om valse aantijgingen van feiten waarvan de wet het bewijs toelaat; bij eerroof gaat het om valse aantijgingen van feiten waarvan de wet het bewijs niet toelaat. Wanneer de persoon een openbare hoedanigheid bekleedt, is bewijs toegelaten met alle middelen. Aantijgingen tegen een persoon van feiten die tot het private leven behoren, kunnen enkel met een vonnis of authentieke akte bewezen worden.


Lasterlijke aangifte

Hij die schriftelijk bij de overheid een lasterlijke aangifte indient, maakt zich schuldig aan lasterlijke aangifte (art. 445, tweede lid Sw.).

Het moet hierbij gaan om een spontane aangifte (klacht) bij de overheid. Een reactie als verweer kan nooit als lasterlijke aangifte worden beschouwd.

Deze aangifte dient schriftelijk gebeurd te zijn (bvb. door ondertekening van een PV van een aangifte of een neergelegde strafklacht), en dit bij een overheid (dit kan om het even welke overheid zijn). 

De dader moet bovendien bij zijn aangifte de bedoeling hebben om de geviseerde persoon schade toe te brengen. Het is hierbij niet noodzakelijk dat de aangever op dat ogenblik weet dat de feiten die hij aangeeft vals zijn; het volstaat dat hij minstens redelijk twijfelt aan de aangegeven feiten. De aantijging dient tevens vals te zijn. Deze aantijging mag niet worden verward met de feiten dien men aangeeft. Deze feiten kunnen echt gebeurd zijn, maar niet aan de geviseerde persoon toerekenbaar zijn. De aangever heeft in dat geval de feiten juist aangegeven, maar ze aan een verkeerd persoon ten laste gelegd.

Lasterlijke aangifte is bij uitzondering geen klachtmisdrijf. 


Lasterlijke aantijging toegestuurd aan een persoon tegen zijn ondergeschikte

Hij die een persoon schriftelijk lasterlijke aantijgingen tegen zijn ondergeschikte toestuurt, is strafbaar.

Dit is een specifieke vorm van lasterlijke aangifte dat vooral betrekking heeft op de persoon die de aantijging doet en de persoon die door deze aantijging wordt geviseerd. 

Er dient in de eerste plaats een hiërarchische band te bestaan tussen de persoon aan wie de aantijging wordt toegestuurd en de persoon die door de aantijging is geviseerd.

De aantijging (waar of niet waar) dient met kwaad opzet te gebeuren, met de bedoeling de geviseerde te schaden. 

De aantijging dient tevens schriftelijk te zijn gebeurd.

Ook dit misdrijf is geen klachtmisdrijf; een klacht van het slachtoffer is dus noodzakelijk opdat het aanleiding zou geven tot vervolging.


Belediging

  • Wie hetzij door daden, hetzij door geschriften, prenten of zinnebeelden iemand beledigt, wordt gestraft.

Het gaat hierbij om het uitspreken van een oordeel, waarbij niet noodzakelijk een bepaald feit ten laste gelegd moet worden. 

De beledigingen dienen kwaadwillig te zijn geuit.

Ook hier dienen de beledigingen in het openbaar te gebeuren:

  • Mondelinge aantijgingen kunnen gebeuren, (i) in openbare bijeenkomsten of plaatsen, (ii) of een in een plaats die niet openbaar is maar die wel wordt bezocht door verschillende personen die tot die plaats toegang hebben om er te vergaderen of ze te bezoeken, (iii) of in om het even welke plaats waar de beledigde en getuigen aanwezig zijn.
  • Schriftelijke aantijgingen kunnen, (i) geschriften zijn, al dan niet gedrukt, (ii) prenten of zinnebeelden zijn; die dan aangeplakt, verspreid, verkocht of te koop aangeboden, dan wel openlijk tentoongesteld worden.

Bij de bestraffing wordt een onderscheid gemaakt naar de manier waarop de belediging gebeurt:

  • door daden, geschriften, prenten of zinnebeelden
  • door woorden gericht tegen iemand die drager is van het openbaar gezag of van de openbare macht of die er een openbare hoedanigheid is bekleed

 

Kwaadwillige ruchtbaarheid

Wanneer op het ogenblik van het misdrijf een wettelijk bewijs de ten last gelegde feiten bestaat en bovendien blijkt dat de beklaagde de tenlasteleggingen heeft gedaan zonder enige rede van openbaar of van privaat belang en enkel met het oogmerk om te schaden, dan maakt hij zich schuldig aan kwaadwillige ruchtbaarheid.

De bestanddelen zijn:

  • een aantijging van een bepaald feit dat de eer van een persoon kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen
  • er moet publiciteit zijn (openbaarheid)
  • op het ogenblik van het misdrijf dient een wettelijk bewijs van de ten laste gelegde feiten bestaan
  • de dader doet de tenlastelegging zonder enige reden van openbaar of van privaat belang en enkel met de bedoeling te schaden

 Een bijzondere modaliteit is grafschennis (art. 453-453bis Sw.). Dit misdrijf begint vanaf het openbaar maken van het lijk, in afwachting van kisten. Het veronderstelt een stoffelijke en opzettelijke schending, ongeacht de bedoeling die de schender acht. Het is niet vereist dat de gedraging het graf of de rustplaats zelf beroert; het is voldoende dat het gaat om een materiële daad, waardoor de nagedachtenis van de overledene beledigd of gekwetst wordt. 

Verzwarende omstandigheden zijn racistische of andere discriminatoire motieven.

 

 

Home

Particulieren

Ondernemingen

Overheden

Het recht

Het gerecht

Over ons

Stel uw vraag

Ons adres:
Bollebergen 2a bus 20
9052 Gent-Zwijnaarde
Contactgegevens:
Tel.: +32 (0)9 334 94 70
Fax: +32 (0)9 334 94 77
E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Disclaimer

De informatie beschikbaar op of via deze website is louter van algemene aard en is uitsluitend bedoeld voor algemeen gebruik. De informatie is niet aangepast aan persoonlijke of specifieke omstandigheden, en vormt derhalve geen juridisch advies. Aan de informatie kunnen geen rechten worden ontleend.

Hoewel bij de samenstelling van de inhoud van de website de grootst mogelijke inspanning tot zorgvuldigheid is betracht, is het niet uitgesloten dat bepaalde informatie verouderd, onvolledig of anderszins onjuist kan zijn. Er worden dan ook geen garanties geven met betrekking tot de aard of de inhoud van de informatie op de website.

De website geniet auteursrechtelijke bescherming. Uw toegang tot de website en de aldaar ter beschikking gestelde informatie houdt geen enkele overdracht van enige intellectuele eigendomsrechten in. De informatie die u op of via de website ter beschikking wordt gesteld, mag enkel voor uw eigen interne doeleinden worden aangewend. U onthoudt zich ervan deze informatie of bestanden voor enige andere doeleinden te gebruiken, in het bijzonder door deze op commerciële wijze te exploiteren.